Voor deze website is het gebruik van cookies vereist, klik hier voor meer informatie. later opnieuw tonen ik ga akkoord met cookies
 
  • Juf Marita
    Bezoekers:
  • Wat en hoe rondom taaltraining !

    Op deze pagina vindt u informatie, spelletjes en activiteiten om aan de taalontwikkeling van kinderen te werken. Hierbij komen taaltraining, auditieve training en woordenschat aan bod.

     

    Woordenschat

    De woordenschat van de kinderen in uw groep blijkt niet zo groot. De uitslag op een toets valt wat tegen? Wat nu?
    Hier vindt u een idee/aanpak om de woordenschat van kinderen op de basisschool te vergroten.

     

    Met dank aan www.jufAnke.nl

     

  • Stap 1: gebruik je methode

    Neem de methodes bij de hand die u in de klas gebruikt. Bijv. Veilig Leren Lezen, de taalmethode, de rekenmethode, de methodes voor aardrijkskunde, biologie, verkeer, geschiedenis etc.
    Bekijk de blokken die nu aan bod komen/ de komende periode aan bod gaan komen en zoek woorden waarvan u denkt dat de kinderen ze nog niet (goed) kennen. Schrijf deze woorden op. Kijk of u bij elk woord meerdere woorden kunt vinden die met dit woord te maken hebben. Staan er geen woorden in de methode, zoek er dan zelf 2 of 3 woorden bij. Het is namelijk zinvoller om 3 of 4 woorden, die met elkaar te maken hebben, geclusterd aan te bieden, dan één woord alleen. 
    Het zoeken naar woorden in de rekenmethode is misschien wat lastiger. Hierbij kunt u denken aan woorden als 'hoeveelheid', 'splitsen', 'verdelen', 'de helft', 'het dubbele'...

    Tip: In de methode Taal in Beeld zitten woordenschatlessen. Bij de herhalingslessen staan alle woorden die in een blok behandeld zijn overzichtelijk onder elkaar in de handleiding. Kijk hier dus en zoek hier de woorden uit die u lastig vindt voor uw groep.

  • stap 2 : maak clusters

    U heeft nu een aantal woorden opgeschreven en geclusterd, dus 3 of 4 woorden bij elkaar, eventueel staan hier woorden bij die niet in de methode staan maar wel met het onderwerp te maken hebben. Schrijf de lidwoorden voor het woord en zoek in een juniorwoordenboek de precieze betekenis van elk woord op.
    Bepaal nu in welke vorm deze woordclusters het best kunnen verschijnen. Dit kan in een parachute zijn, in een trap, een kast of een woordweb. Dat ziet er als volgt uit: 

    Parachute
    De parachute geeft een hiërarchische relatie weer. Bij een parachute kun je altijd zeggen ........ is .........

    Voorbeeld: Het woord “het seizoen” hangt boven aan de parachute. Daaronder hangen de herfst, de winter, de lente en de zomer. Je kunt zeggen: herfst is een seizoen.

     

    Kijk ook eens op :http://woorden.wiki.kennisnet.nl/Hoofdpagina

  • Stap 3 : een vaste plek

    Typ of schrijf de woorden groot uit. Zoek een plekje in de klas voor de woordmuur. Een prikbord of een lege wand. Ikzelf hang hier een aantal grote vellen gekleurd papier op. Hier hang ik vervolgens de uitgetypte en geprinte woorden op, in een parachute, kast, trap of woordweb. Zorg voor een plaatje bij elk woord of een uitgeschreven/getypte betekenis.

  • stap 4 : aanbieden van de clusters

    Bied de woorden aan. Vraag nooit aan kinderen 'wie weet wat....... betekent?' 

    Het kan zijn dat een kind niet meteen de goede betekenis geeft. Andere kinderen onthouden het antwoord van dit kind dan wel. Vertel het dus meteen zelf! 
    Kies één woordcluster uit en bied het aan (5 minuten).

    Bedenk een leuke manier om dit te doen.

    Speel een kort toneelstukje, speel een verslaggever, doe alsof u op een bepaalde plek bent etc. Leg in het stukje dat u vertelt de woorden van het cluster duidelijk uit. Herhaal de woorden vaak en geef de betekenis.

    Hang de woorden in het cluster op de woordmuur. Laat de woorden hangen tot de kinderen ze kennen.

    Hang niet meer dan 6 a 7 clusters op.

  • Stap 5 : consolideren = herhalen

    Herhaling.

    Speel gedurende de week spelletjes met de woorden.
    Dit noemen we consolideren, ofwel het inslijpen van de woorden. Begin passief, daarna actief.

    Tips voor spelletjes:

    De koning
    Eén kind is de koning of koningin. De koning moet een belangrijke brief schrijven, maar hij is een woord vergeten! De kinderen moeten de koning helpen dit woord te vinden, maar zij maken het de koning niet te gemakkelijk. De koning moet het woord raden. Het woord hangt als een plaatje of met tekst op de kroon van de koning. De koning kan het woord zelf niet zien, de kinderen in de klas wel. De kinderen vertellen iets over het woord, ze mogen het woord zelf niet gebruiken. Zo probeert de koning erachter te komen over welk woord het gaat.

    Alle vogels vliegen
    De leerkracht vertelt iets over een woord van de woordmuur, bijv. "Met een bijl kun je schrijven"! Dit is grote onzin. De kinderen blijven zitten. Wanneer de leerkracht iets vertelt wat wel waar is, zoals "Alle vogels vliegen", gaan de kinderen staan en wapperen ze met de armen.

    De detective
    Eén kind gaat naar de gang en krijgt een woord van de woordmuur. Het kind gaat terug naar de klas. De klas mag 10 vragen stellen die het kind met ja of nee kan beantwoorden, om erachter te komen welk woord het kind in gedachten heeft. De klas moet goede vragen stellen.

    De bom
    Nodig: een bom
    Alle kinderen hebben een woord van de woordmuur in hun hoofd. De bom gaat door de klas. Wanneer je de bom hebt, mag je je woord zeggen. Als de bom net bij jou af gaat, ben je af.
    Variatie: één kind noemt een woord, het volgende kind noemt de betekenis én een nieuw woord, het volgende kind noemt de betekenis van dit woord én een nieuw woord en zo verder...

    Woordstukjes
    De leerkracht noemt een stuk van een woord van de woordmuur, bijv. li-... hij gooit de bal naar een kind. Dit kind noemt het ontbrekende stuk: -bel. Nu mag dit kind het eerste stuk van een woord noemen en de bal naar een volgend kind rollen of gooien. Gebruik een zachte bal!

    Raadsels
    De leerkracht geeft raadsels over woorden van de woordmuur.

    Ren je rot
    Er hangen verschillende woorden (3 of 4) in de speelzaal/buiten. De leerkracht vertelt iets over één van deze woorden. De kinderen rennen naar het woord waar het over gaat.
    Bijvoorbeeld de woorden zijn: herfst, winter, lente, zomer. De leerkracht vertelt:
    - het sneeuwt buiten
    - ik lig op het strand
    - lammetjes
    - kastanje

  • mallen maken voor woordclusters (handig en herkenbaar)
  • Mindmap maken (pagina vol tips )
  • Tips voor auditieve training> Juf Anke (klik op het plaatje)
  • voorbeeld woordcluster groep 1-2
  • voorbeeld: Woord parachute
  • voorbeeld: woordspin / woordwolk
 
Add to Yurls